Van de ene stofwisselingsziekte wordt je zieker dan van de andere. Dat komt door de plek in het lichaam waar de omzetting fout gaat. Stel je maar een een fiets voor. Trappers zijn dus heel belangrijk voor een fiets. Op een fiets zonder bel kun je nog wel fietsen. Die is dus minder belangrijk dan de trappers. Zo zit het ook bij stofwisselingsziekten. Bij de ene ziekte mis je een belangrijker onderdeel dan bij de andere.
Soms is er een enzym stuk aan het begin van de keten die stoffen uit de voeding veranderdt in stoffen die je lichaam kan gebruiken. Daar kun je vaak wat aan doen door de voeding te veranderen. Je moet dan een dieet volgen. Bijvoorbeeld een dieet met weinig eiwitten. Als dat zo is, dan mag je heel veel dingen niet zomaar eten.
Aan andere ziekten is niet zo gemakkelijk wat te doen. Soms gaan hele belangrijke onderdelen van het lichaam, zoals je hersenen, je spieren of je hart daarom steeds iets verder stuk. Dokters proberen dan wel met medicijnen die ook voor andere ziekten worden gebruikt, wat te doen aan de ziekte, maar vaak kunnen ze aan de ziekte zelf niets doen en wordt die steeds erger.